Vanmiddag stond ik voor de kist van Frans, een collega die afgelopen zondag overleed. Mijn laatste groet was een gasho en op verzoek van de familie strooide ik wat rozenblaadjes in de kist. Toen ik naar Frans keek, keek ik recht in de ogen van de vergankelijkheid. Altijd weer een confrontatie met mijn eigen tijdelijkheid. Iets waar ik mijzelf regelmatig op moet wijzen. Nou ja, moeten, het moet natuurlijk niet, maar het is wel realistisch om het te doen. Daarom kijk ik altijd, maar ook om mij te realiseren dat iemand echt dood is.Ik geloof het pas als ik het heb gezien. En Frans zag er erg dood uit.
Het geruststellende van de middag was het beeld dat tijdens de voorafgaande herdenking van Frans werd geschetst: een leuk en tamelijk onbezorgd leven met een gezellige thuisbasis en fijne vakantiereizen. Ik noemde het ’t geheime leven van Frans, want op het werk wisten de meesten niet veel over hoe hij zijn vrije tijd besteedde. Ik ook niet en ik was wel nieuwsgierig naar wat ik te horen zou krijgen. Het stelde me dus gerust. Belangrijk, want op het werk had Frans het niet altijd naar zijn zin. Zijn creatieve geest en eigenzinnigheid konden niet iedereen bekoren. Maar thuis was hier alle ruimte voor. Zijn vrouw zal dit zeker erg gaan missen. Hoewel zij vanmiddag sterk overkwam, het onvermijdelijke aanvaardend, zal het voor haar toch moeilijk zijn om zonder zo’n markante echtgenoot verder te moeten. Tijdelijkheid is een hardvochtige realiteit.
“Dat alles verandert is een fundamentele waarheid van elk bestaan. Niemand kan deze werkelijkheid ontkennen, het vat de hele leer van het Boeddhisme samen. Het is een leer van en voor ons allemaal. Waar we ook gaan, dit onderricht is waar”, zegt Shunryu Suzuki dan ook. En hij vervolgt: “Voor ons is geen rust en kalmte weggelegd, als we dit feit niet accepteren. Maar helaas, ook al is dit waar, het is moeilijk om dit in te zien. We lijden omdat we onze tijdelijkheid niet kunnen aanvaarden”. (uit: Zen Mind, Beginner’s Mind).
vrijdag 8 juni 2012