Onlangs had ik op een ochtend een bijzondere ervaring na het zitten. Ik zette een kopje koffie en voelde een sterke drang om hiermee nog even te gaan zitten in de zendo. Iets wat ik eigenlijk nooit doe. Terwijl ik daar zo zat met mijn koffie, drong opeens tot mij door dat ik altijd een reden zoek om zo maart te zitten. Gewoon alleen maar zitten en er zijn, ik word daar heel onrustig van.
Ik moest aan vroeger denken, aan situaties waarbij ik mijzelf geen houding kon geven. Bijvoorbeeld wachtend op de bus of de trein. Toen ik nog rookte, lang geleden, stak ik in zulke gevallen een sigaret op. Dat stond wel stoer. Maar nog steeds heb ik altijd een boek bij me, zodat ik altijd wat kan lezen, op het perron of in de trein.
Maar ik besefte ik me dat het me niet om de houding ging. Ik wilde en wil vooral nuttig bezig zijn. Zomaar zitten, er zomaar zijn, voelt ongemakkelijk. Niet dat dit redelijk is, want er is zoveel zomaar aanwezig zonder dat het meteen nuttig is. Waarom moet ik dan altijd nuttig zijn, zo vroeg ik mezelf af. En ineens zag ik een inhoud bij het bevrijden van alle levende wezens, de eerste regel van de Bodhisattvagelofte. Alle levende wezens, vooral medemensen, bevrijden van het idee dat ze nuttig moeten zijn. Wat betekent dat alles wat leeft er gewoon mag zijn, eenvoudigweg omdat het er is. Wat is, is. Ik besta, dus ik mag er zijn. En ik hoef niet steeds mijn nut of mijn reden tot bestaan te bewijzen. Dat is pas mijn leven waarderen! Ik leef omdat ik leef en adem, volkomen nutteloos en redenloos. Wat een zenvol idee!
dinsdag 19 februari 2013